Achter elke foto schuilt een herinnering …

75 jaar later mijn persoonlijke verhaal

De eerste vaart van het transportschip Kota Inten, met aan boord honderden KNILmilitairen en hun gezinnen meerde op 21 maart 1951 aan de Lloydkade in Nederland af. Het was een koude en gure dag. Ik was erbij, vier jaar oud. Een van de acht personen uit het gezin van mijn ouders. Wegens zeeziekte, herinnerde ik me gedurende de dag dat wij vertrokken op 20 februari 1951 vanaf Surabaya maar weinig wat er zich op de boot afspeelde. Twaalf schepen kwamen er in de loop van dat jaar, aan te pas om de Ambonezen, destijds zo genoemd, te vervoeren. De Kota Inten voer twee keer. De eerst en de laatste vaart.

Na de formaliteiten en het medisch onderzoek in ‘De Boskamp’ te Amersfoort werden we gehuisvest in Huizen, een plaatsje in het Gooi. Het was een kamp dat in 1940 door de Duitsers werd opgericht welk dienstdeed als opleidingskamp voor de Nederlandse Arbeidsdienst. Kamp Almere was omheind door prikkeldraden. Een groot bord met het opschrift Artikel 461, verboden voor onbevoegden prijkte bij de ingang van het kamp naast de slagboom. Nadere verklaring overbodig. Sommige bewoners hadden last van een opgesloten gevoel. De oude donkerbruine barakken gaven een troosteloze aanblik. Later zou blijken dat deze tochtige, koude barakken invloed had op allerlei opgelopen ziektes. In de winter moesten de potkachels blijven branden gestookt op eierkolens. We sliepen op bedden met strozakken, onder paardendekens. Gelukkig kwam jaren later hier een eind aan. De DDTspuit werd vaak ter hand genomen tegen ongedierte.

Midden in het kamp was een groot plein. Vanzelfsprekend werd er een groepsfoto genomen. Niet wetende dat het ‘tijdelijk verblijf’ een loze belofte zou zijn. Ondanks dat ze ontslagen werden uit hun KL-status bij aankomst en sommigen reeds op de boot, hielden de mannen in de beginjaren appèl op dit plein. Alsof hun niet verwerkte oorlogsverleden niet genoeg was, liepen ze hier nog meer trauma’s op. De boosheid en bitterheid over het ontslag, de slechte ontvangst, geen uitbetaling van de soldijgelden en geen resultaten op de demonstraties. Uiteraard kampten de vrouwen, onze moeders, met dezelfde gevoelens.

Het was niet gemakkelijk om de kinderen op te voeden in een onbekend land. Toch werden we opgevoed, volgens onze adat, tradities, normen en waarden. Daar ben ik onze ouders eeuwig dankbaar voor. Ondanks de negativiteit van het wonen in een kamp was er gelukkig ook positiviteit. We moesten roeien met de riemen die we hadden. De mannen mochten in het begin niet werken. Het inkomen van een gezin bestond uit zakgeld voor volwassenen en kinderen. Het eten kwam uit de centrale keuken. De ledigheid werd gevuld met het organiseren van allerlei activiteiten v.w.b. sport en spel. Voor ontspanning was de kantine een uitkomst. Oud en jong konden hier terecht. Ook de cursus voor monteur, bankwerker en lasser gaven de mannen afleiding en een zekerheid voor een arbeidzaam leven. Mijn vader was technisch goed onderlegd en assisteerde de Nederlandse cursusleider. De vrouwen konden zich opgeven voor een naaicursus. De kinderen vermaakten zich met allerlei spelletjes op het plein in en rondom het kamp. De godsdienst stond centraal. De kerk en kerkenraad speelden een belangrijke rol. Er waren een aantal koren actief. Bandjes eveneens. Voor onderwijs moesten de kinderen naar het dorp. Voor mij was dat een leerzame en leuke tijd die ik zonder problemen doorliep. Wij hielden contacten met verenigingen buiten het kamp. We zetten ons destijds op de kaart, door middel van voorlichting en voorstellingen met zang en dans.

Het was niet altijd ‘pais en vree’. Logisch in een klein kamp met zoveel mensen. De Kampraad functioneerde goed en de beheerder deed zijn best. We deelden lief en leed. Er waren hoge pieken en diepe dalen. De saamhorigheid was groot. Bij begrafenissen werden de handen uitgestoken om hulp te bieden aan de rouwende familie. Evenzo bij bruiloften.

In 1955 trouwde mijn zuster. Het eerste grote bruiloftsfeest. Een circustent werd op het plein opgezet. Feest tot de volgende ochtend. Geweldig! Een prachtig gezicht was ook toen president Manusama het kamp bezocht. De cakalelegroep verwelkomde hem in vol ornaat met een gevechtsdans vanaf de ingang.

Velen zagen hun hoop op terugkeer in rook opgaan toen in 1956 de ‘zelfzorgregeling’ werd ingevoerd. De mannen moesten zelf werk zoeken.

Het laatste gezin vertrok onder dwang in 1972. Kamp Almere werd daarna opgedoekt.

De herinneringen blijven.

De overgang naar stenen eengezinswoningen in het dorp verliep met gemengde gevoelens. Voor mij was de overgang van kamp naar wijk in 1964 een vooruitgang qua woongenot. Ik had geen politieke gevoelens en dacht niet aan de belofte dat Nederland ons zou onderhouden totdat wij weer zouden terugkeren, zoals velen dachten. Ik bekeek de situatie zoals het op dat moment was.

Ik heb in verschillende Molukse woonwijken en provincies gewoond. De saamhorigheid en betrokkenheid bij lief en leed bleven in stand. Weliswaar was het individualisme zo nu en dan zichtbaar. Het ‘Masohi’ gevoel was onaantastbaar. Doch de RIVMmaatregelen vanwege het coronavirus gooiden in 2020 roet in het eten, daar we tijdelijk niet op onze traditionele manier mogen samenzijn op feesten en elkaar steunen bij verdriet.

Vijf en zeventig jaar in den vreemde. Ik reken mij tot een overlever. Een van de velen met een eigen ervaring en verhaal. Weliswaar woonde ik her en der, doch mijn ‘jeugdhonk’ heeft een speciale plek in mijn hart. Dat was een van de redenen waarom ik een autobiografisch boek schreef over die tijd. Getiteld ‘Overgeplant naar Nederland’ Herinneringen aan woonoord Almere, 1951-1964. Uitgegeven in 2001. Helaas is dit boek niet meer verkrijgbaar. Enkele jaren terug schreef ik mijn boek ‘Kracht, korte levensverhalen van een Molukse vrouw’. Verhalen die ik door wilde geven, opdat ze niet mochten worden vergeten.

Het is afhankelijk van jezelf hoe je in de wereld staat. Met beide benen op de grond en het leven nemen zoals het zich voordoet. Ik heb veel verdriet gekend, het verlies van mijn ouders, broers en zusters. Vooral mijn 25-jarige zoon. Ik heb ook vreugde en blijdschap mogen meemaken, door de geboorte van mijn kinderen en kleinkinderen die nu allen volwassen personen zijn en later een achterkleinkind. Het verleden vergeet ik niet, maar ik blijf er niet in hangen en kijk naar de toekomst. Ondanks al het leed dat mijn ouders hebben ondergaan, kreeg ik een goede opvoeding. Ik had een fijne jeugd.

Respect en diepe buiging is op zijn plaats voor onze ouders.

Op verschillende plaatsen waar Molukkers wonen zijn herdenkingsmonumenten in welke vorm dan ook, opgericht. Ter nagedachtenis aan de eerste generatie.

Een groots gebaar!

De wens om ooit terug te keren naar een vrij en democratisch land is er, maar ik ben realistisch genoeg om te beseffen dat het in mijn leven niet gaat gebeuren. Misschien ver in het verschiet?

Mijn levensmotto is ‘Carpe Diem’. Pluk de dag en geniet van het leven!

Bron : Facebook Juul Tomasila – Snel (Sopamena-Seipattiratu)

Eén reactie

  1. Rudi Sabandar

    Lieve Juul, bedankt dat je je persoonlijk verhaal hebt gedeeld. Onze eerste generatie heeft veel meegemaakt. Het leven in Nederland was voor hen bij aankomst in 1951 niet makkelijk. Ze hebben hun familie, en velen ook hun kinderen moeten achter laten. We zijn nu 75 jaar verder. Wij zijn de tweede generatie. Velen uit de tweede generatie zijn nu met pensioen. De geschiedenis van de aankomst van de eerste generatie mag nooit vergeten worden. De derde en jongere generatie moeten het nu van ons overnemen. Om de geschiedenis van de aankomst van de eerste generatie door te geven.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *